Aanvankelijk hoopten de Spanjaarden toen ze in 1516 voor het eerst voet zette op wat nu Argentijnse bodem is, dat het door hen 'ontdekte' gebied een schat aan zilver zou bevatten. Argentina, zilverstad, zoals ze het uiteindelijk in 1860 noemden, bleek echter geen zilver op te leveren en dus werd gezocht naar alternatieve inkomstenbronnen.
Een zeer lucratieve bezigheid werd veeteelt, en dan specifiek de handel in koeienhuiden en gedroogd vlees. De export hiervan naar Europa nam zulke grote vormen aan dat Buenos Aires gedurende de 18e en 19e eeuw uitgroeide tot een belangrijk handelscentrum. En dat trok ook weer andere bedrijvigheid aan en de welvaart in Argentinië nam toe.
Schepen volgeladen met huiden, wapens, vlees, kleding en tabak vertrokken naar Europa om met enorme aantallen immigranten terug te keren. Tussen 1870 en 1914 komen bijna 6 miljoen Europeanen - 50% Italianen en 20% Spanjaarden, rest Fransen, Britten en Duitsers - naar Argentinië om hun geluk te beproeven.
Hoewel de Spaanse veroveraars al in de 16e eeuw de eerste (mis)wijnen produceerden, werden met de komst van deze Europese immigranten pas nieuwe druivenrassen geïntroduceerd en de modernste technieken op het gebied van wijnbouw.
Tegenwoordig telt Argentinië ruim 200.000 hectare wijngaarden gelegen tussen 25° en 39 graden zuiderbreedte op een hoogte variërend van 450 meter tot 2 kilometer boven de zeespiegel. Van noord naar zuid onderscheidt de Argentijnse wijnwetgeving de streken Salta, Catamarca, la Rioja, San Juan, Mendoza en Patagonia. Argentinië is niet voor niets de grootste wijnproducent van het continent, en de nummer vier van de wereld.