De in Nederland bekendste Duitse wijnen zijn afkomstig uit Mosel - Saar - Ruwer. Net als in de andere wijngebieden langs de Rijn en zijn zijarmen zijn de druivenstokken hier vaak aangeplant op langgerekte stroken op de soms zeer steile hellingen van de rivierdalen.
De riesling is de belangrijkste variëteit. Hiernaast komen de witte müller thurgau of rivaner, sylvaner, burgunder en elbling voor; de spätburgunder en dornfelder voor rood.
De geschiedenis van het gebied begint met de komst van de Romeinen die er de wijndruif introduceerden. Dat zij goed drinkbare wijnen wisten te maken blijkt uit archeologische vondsten die laten zien dat er al vroeg sprake was van intensief transport van wijn over de Moezel.
Van de druifluis aan het begin van de twintigste eeuw heeft de regio niet zo heel veel last gehad omdat de Phylloxera geen voldoende vat kreeg in de leistenen bodem. Daardoor stond halverwege de jaren '70 bijna de helft van alle stokken nog op z'n originele stam.
Hoewel het klimaat hier veel gelijkenissen vertoont met dat in Nederland zijn de omstandigheden voor goede wijnbouw rond de Moezel echter goed. De kronkelende rivier heeft namelijk gezorgd voor ideale microklimaatjes: windstille zuid, en zuidwest georiënteerde percelen die optimaal profiteren van het door het water en de leistenen bodem gereflecteerde zonlicht.
Tegenwoordig behoort Mosel - Saar - Ruwer met zo'n 12.000 hectare wijngaard geografisch gezien tot het vierde wijngebied van Duitsland.