Het hart van de Rheingau ligt aan de noordkant langs de Rijn, in de bocht bij Wiesbaden waar de rivier naar het westen richting Rüdesheim knikt. Hoewel spätburgunder (pinot noir) hier tegen het Taunusgebergte gemakkelijk gedijt, is riesling er heer en meester. Al in de achttiende eeuw richtten de Cisterciënzers van Eberbach en de Benedictijner monniken van Johannisberg zich al volledig op de cultivering van rieslingdruiven. Hun ervaringen leidden tot de 'ontdekking' van de "Späte lese" en de toevoeging van de aanduiding "Kabinett", gebruikt voor de waardevolste wijnen die in een speciaal 'Cabinet' bewaard werden. In 1775 zag de eerste spätlese te Johannisberg het licht en vele van deze traditioneel rijk aromatische, gebotrytiseerde wijnen (edelfäule) zouden nog volgen.
Ook de invoering van het "Erstes Gewächs" - het toekennen van een Prädikat aan de beste Duitse wijnhuizen (vergelijkbaar met het Franse Grand Cru-systeem) - zou een initiatief zijn dat zijn oorsprong vond in de Rheingau.
Heel erg verwonderlijk is dat allemaal eigenlijk niet: de klimatologische omstandigheden in de Rheingau zijn immers optimaal voor riesling. In het noorden beschermt de kam van het Taunusgebergte tegen koude winterwinden terwijl benedenwinds het water van de rivier het verwarmende zonlicht als een spiegel tegen de wijnranken weerkaatst.
Gemiddeld koeler dan tien graden Celsius wordt het hier niet. Warme zomers, milde winters en nevelige herfstdagen maken het in de Rheingau goed mogelijk om verschillende typen rieslings te maken. Die kunst beheersen ze bij Weingut Prinz als geen ander.